Simplenews subscription

E-mailadres van de abonnee.
Stay informed - subscribe to our newsletter.

Page Notifications

Subscribe to: Kerkelijk patriarchaat I

Binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken bestaan diepgaande verschillen over de openstelling van de ambten voor vrouwen. Het kerkelijke standpunt staat openstelling van de ambten in de weg, maar inmiddels zijn er onderbelichte historische argumenten die een ander licht op het kerkelijke standpunt werpen. Onlangs verscheen namelijk een boek van Professor Beth Allison Barr, ‘The making of Biblical womanhood’. Wie het boek van Professor Barr heeft gelezen, zal onder de indruk zijn van haar overtuigende bewijsvoering, die aantoont dat de Reformatorische en Evangelische opvattingen over de rol en positie van de vrouw in de kerk geen bijbelse, maar patriarchale oorsprong heeft en het gevolg is van de zondeval. 

Ander perspectief
Nu Barr heeft aangetoond dat het Bijbelse beeld van vrouw zijn het gevolg is van de zondeval, plaatst dit inzicht ook de exegese van Genesis 1 en 2 in een ander perspectief. Dan blijkt dat zij geen argumenten geven voor het klassieke standpunt dat er noodzakelijk en universeel onderscheid is tussen mannen en vrouwen die teruggaat op de schepping en de openstelling van de ambten in de weg zou staan. Immers, nadat God Adam en Eva had geschapen, zegende Hij hen en zei tegen hen: 'Wees vruchtbaar en word talrijk, bevolk de aarde en breng haar onder je gezag: heers over de vissen van de zee, over de vogels van de hemel en over alle dieren die op de aarde rondkruipen.' Een duidelijke opdracht van God aan de mensheid; onderdeel daarvan is de aarde onder het gezag van Adam en Eva te brengen en over de vissen, de vogels en alle dieren te heersen. Met de opdracht machtigt God de mensheid tot het uitoefenen gezag en het heersen. Daarmee is het uitoefenen van gezag en het heersen door de mensheid gelegitimeerd. Dat is ook volkomen in overeenstemming met Gods bedoeling en zijn voornemen; voorafgaande aan het schepping van de mensheid, zei God immers al bij zichzelf: “'Laten wij mensen maken die ons evenbeeld zijn, die op ons lijken; zij moeten heerschappij voeren over de vissen van de zee en de vogels van de hemel, over het vee, over de hele aarde en over alles wat daarop rondkruipt.'” Het past dus binnen de bedoeling van God, de door Hem verstrekte opdracht en zijn volmacht aan de mens om de mens in de tuin van Eden te brengen zodat de mens haar kon bewerken en bewaken. Vanuit de bedoeling, opdracht en volmacht valt ook Gods nieuwsgierigheid te begrijpen om te zien welke namen de mens aan de dieren zou geven. Die naamgeving past immers in Gods bedoeling, opdracht en volmacht aan de mens om over de aarde te heersen. Zij is onderdeel van de taak van de mens in het kader van het bewerken en bewaren van de tuin van Eden. Er zijn geen aanwijzingen in Genesis 1 en 2 te vinden die grond opleveren om aan te nemen dat het Gods bedoeling is, Zijn opdracht is of het binnen de door hem verstrekte volmacht valt, dat Adam over Eva zou moeten of mogen heersen. Over de reden waarom Adam als eerste is geschapen laat Genesis 1 en 2 zich niet uit. Daarentegen vertelt Genesis 2:18 dat God eerst zelf constateert dat het niet goed is dat Adam alleen is als mens. Vervolgens vertelt Genesis dat God alle wilde dieren en vogels schiep om ten slotte te vertellen dat Adam de dieren een naam gaf. Nadat de mens, binnen zijn taak en volmacht alle dieren een naam had gegeven, trok de mens, Adam, dezelfde conclusie als Gods reeds voor zichzelf getrokken had: Ik, Adam, ben als mens alleen, zodat er niemand is die mij kan helpen bij mijn taak. Waar Genesis 1:28 vertelt dat de opdracht aan de mensheid, man en vrouw gezamenlijk was gegeven, blijkt uit Adam’s conclusie duidelijk dat de uitvoering van de opdracht niet geschikt of uitvoerbaar is voor de man, Adam, alleen. De opdracht van God is louter uitvoerbaar voor man en vrouw gezamenlijk, precies zoals God het bedacht had, voordat Hij de mensheid schiep. Als het als eerst geschapen zijn iets duidelijk maakt, is dat Adam juist geen voordeel heeft van zijn positie als eerste geschapen te zijn, omdat hijzelf niet geschikt blijkt om de door God gegeven taak alleen uit te voeren.

Geen naam
Daar komt bij dat in de opdracht aan de mensheid tot beheer en onderhoud evenmin besloten ligt dat aan Adam de bevoegdheid toekomt om aan zijn vrouw een naam te geven. Genesis 1 en 2 geven daarvoor ook geen grond. In de eerste plaats, omdat de door God gegeven volmacht zich slechts uitstrekt tot gezag over de aarde en het heersen over de dieren. Nergens in Genesis 1 en 2 is er enige aanwijzing te vinden dat aan Adam een opdracht wordt gegeven aan zijn vrouw een naam te geven, zodat hem daartoe de bevoegdheid ontbrak. In de tweede plaats blijkt ook nergens in Genesis 1 en 2 dat Adam ook daadwerkelijk aan zijn vrouw een naam geeft. Weliswaar zegt Adam dat hij de vrouw, vrouw noemt, maar dat is geen eigennaam, maar hoogstens een soortnaam. Voor de naamgeving in Genesis wordt, zo blijkt op verschillende plaatsen in Genesis, een kenmerkende formule gebruikt; het is de combinatie van het werkwoord ‘noemen’ en het zelfstandige naamwoord ‘naam’, In Genesis 2:23 wordt die kenmerkende formule niet gebruikt. Adam geeft zijn vrouw pas na de zondeval een naam, Eva, waarbij die kenmerkende formule wel wordt gebruikt. In de context van Adam’s verwondering, ligt de nadruk op de gelijkenis die Adam herkent. Hij heeft kennelijk erg veel dieren voorbij zien komen, want hij begint zijn uitroep met ‘eindelijk’; eindelijk een gelijk aan mij; onder de dieren had hij geen gelijke gevonden, maar nu wel en hij kwalificeert haar als manninne of vrouw. Dit wordt onderstreept doordat God de vrouw bouwde buiten medeweten van Adam om. En God bracht het resultaat van zijn bouwwerk bij Adam. Er staat niet bij dat God haar bij hem bracht om te weten hoe haar noemen zou.

Wordt vervolgd
In de volgende Vrije-Interpretatie wordt uiteengezet dat deze beschouwing niet wordt weerlegd door Paulus zijn aanwijzingen in een aantal van zijn brieven waarin hij vrouwen verbiedt om gezaghebbend leiding te geven. Duidelijk wordt gemaakt dat de (bijbelse) geschiedenis van de kerk laat zien dat er altijd vrouwen rechtmatig gezaghebbend leiding hebben gegeven zodat in de kerk ten onrechte de opvatting is gaan postvatten dat de man zijn eigen positie zou zijn terug te voeren op de schepping. 

 

Reactie toevoegen

De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.

Filtered HTML

  • Web- en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Toegelaten HTML-tags: <a href hreflang> <em> <strong> <cite> <blockquote cite> <code> <ul type> <ol start type> <li> <dl> <dt> <dd>
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.