Simplenews subscription

E-mailadres van de abonnee.
Stay informed - subscribe to our newsletter.

Page Notifications

Subscribe to: Meten met twee maten

Het Reformatorisch Dagblad kopte “Synode CGK repareert “foutje” uit 2016”, terwijl het Nederlands Dagblad het hield bij “CGK: samenwerken? Kies minst vergaande kerkrecht”. Beide artikelen hadden dezelfde inhoud, namelijk dat er sprake was van een ‘foutje’, ‘het foutje van 2016’. Voor het overige heeft het nauwelijks stof doen opwaaien. Toch is deze uitspraak veelzeggend.

De uitspraak waar het Reformatorisch Dagblad en Nederlands Dagblad aan refereren betreft de uitspraak van de Generale Synode van vrijdag 15 november 2019 waarin zij de overweging in een besluit uit 2016 die inhoud dat ‘het besluit dat in samenwerkingsgemeenten de minst ver strekkende kerkorde vigeert, nog steeds geldt (...)’ formeel terugneemt. Punt is dat er nooit door een Generale Synode hierover een besluit is genomen, zodat deze overweging inhoudelijk dus niet klopt. Opvallend is dat de overweging alleen wordt teruggenomen voor zover de overweging spreekt over een geldend besluit, maar dat de synode inhoudelijk de overweging handhaaft voor zover daarin wordt uitgesproken dat ‘de minst verstrekkende kerkorde vigeert’. 

Dat de Synode in haar uitspraak inhoudelijk geen afstand neemt van de overweging is bijzonder, want het idee van de ‘minst verstrekkende kerkorde vigeert’ is tot nu toe geen regel van kerkrecht. Dat wordt ook erkend door het formeel terugnemen van de overweging voor zover ten onrechte wordt gesproken over het begrip ‘besluit’. Dat besluit bestaat eenvoudigweg niet. In bijlage 3 van het rapport van het deputaatschap eenheid gereformeerde belijders wordt dat ook bevestigd wanneer aangegeven wordt dat ten aanzien van het begrip ‘de minst verstrekkende kerkorde vigeert’ nooit zo door een kerkelijke vergadering is uitgesproken. Het deputaatschap merkt verder op dat: “De overweging van de CGK-synode 2016 dat ‘het besluit dat in samenwerkingsgemeenten de minst verstrekkende kerkorde vigeert, nog steeds geldt’ lijkt te verwijzen naar de genoemde besluiten, maar stemt daar niet mee overeen.” Voor zover Synodes hebben uitgesproken dat de kerkorde van de Christelijke Gereformeerde Kerken ook geldend zijn in samenwerkingsgemeenten, is die uitspraak minder verstrekkend, omdat daarmee niet gezegd is dat bij conflicteren kerkorden in samenwerkingsgemeenten altijd de ‘minst verstrekkende kerkorde vigeert’. In veel gevallen zal dan de Christelijke Gereformeerde kerkorde prevaleren.

Met de recente uitspraak spreekt de Synode weliswaar uit dat het idee dat de ‘minst verstrekkende kerkorde vigeert’ weliswaar geen formeel kerkelijk recht is, maar feitelijk wel de algemene lijn zal moeten zijn. De formulering is ook nauwkeurig gekozen door uit te spreken dat de overweging uit het besluit van 2016 ‘de jure’, dus louter formeelrechtelijk nietig wordt verklaard, omdat er nu eenmaal geen kerkelijk besluit is in deze zin. Door de overweging geheel formeelrechtelijk nietig te verklaren erkent de Synode dat het idee van de ‘minst verstrekkende kerkorde vigeert noch naar geschreven noch naar ongeschreven recht geldend kerkrecht is, maar het idee feitelijk wel het uitgangspunt zou moeten zijn in het Christelijke Gereformeerde kerkrecht. Daarmee lijkt met  deze uitspraak een eerste stap te zijn gezet om het begrip ‘minst verstrekkende kerkorde vigeert’ te verheffen tot een formeel kerkrechtelijk principe. Daarmee wordt opnieuw een blokkade opgeworpen voor samenwerkende - en samenwerkingsgemeenten. Dat deze uitspraak nu reeds is gedaan, voorspelt ook niet veel goeds. 

Dat roept onmiddellijk de vraag op hoe groot de kans is dat deze Generale Synode op een later moment op dit standpunt zal terugkomen? Dat is heel onwaarschijnlijk. Daarmee is de toon gezet. Met het doen van deze uitspraak staat de deur open om terug te komen op het eerdere besluit uit 2013. Toen aanvaardde de Generale Synode immers het complete model samenwerkingsovereenkomst. In dat model is een conflictenregeling opgenomen die haaks staat op het idee van de ‘minst verstrekkende kerkorde vigeert’. De conflictenregeling voorziet erin dat een samenwerkingsgemeente bij conflicterende regels tussen de kerkverbanden waaruit de gemeente is samengesteld, een keuze mag maken voor die kerkorde die het meest bijdraagt aan de eenheid en de opbouw van de samenwerkingsgemeente. Een vorm van interkerkelijk kerkrecht. Door nu alleen formeel het beroep op het idee van de ‘minst vertrekkende kerkorde vigeert’ nietig te verklaren, maar feitelijk dat idee toch als een kennelijk leidend beginsel te aanvaarden, is er geen ruimte meer om vervolgens een samenwerkingsovereenkomst te aanvaarden waarin een conflictenregeling is opgenomen. Dat zou immers innerlijk tegenstrijdig zijn.

Tegelijkertijd is het ook zorgwekkend, omdat met deze uitspraak teruggekomen wordt op besluitvorming die in 2013 weloverwogen heeft plaatsgevonden. Overeenkomstig het bestaande kerkrecht komen besluiten immers tot stand bij eenparigheid van stemmen dan wel bij meerderheid van stemmen en a priori onder aanroeping van de naam van de Heer en onder leiding van de Heilige Geest. Die besluiten zijn dus vast en bondig voor alle kerken. Dat leidt enkel uitzondering als zou blijken dat een besluit in strijd is met Schrift, belijdenis of de kerkorde. Vaststaat dat tegen het besluit van 2013 geen revisie is ingediend. Daarmee is sprake van een rechtsgeldig kerkelijk besluit dat vast en bondig is voor de kerken binnen het kerkverband. Bovendien is het besluit ook niet zonder discussie tot stand gekomen. Dat impliceert een weloverwogen besluit. 

Wanneer bedacht wordt dat samenwerkende- en samenwerkingsgemeenten zich in toenemende mate klem en verloren voelen binnen het eigen kerkverband, zich daarover ook hebben geuit en in praktisch handelen ook dat tot uitdrukking brengen, is het weinig prudent een uitspraak te doen die niet strikt noodzakelijk is, maar wel de onderlinge verhoudingen verder onder spanning zal brengen. Dat bij een besluit uit 2016 van de Generale Synode een nietige overweging is opgenomen, maakt niet - dat blijkt ook uit de uitspraak van heden - dat het hele besluit nietig is. Die overweging is eenvoudig een rechtens onjuiste overweging die ook op geen enkele wijze invloed heeft of kan hebben op het destijds in 2013 genomen rechtsgeldige besluit. Als een overweging een uitgangspunt verwoord waarvan het deputaatschap zelf reeds aangeeft dat het geen ongeschreven of geschreven regel van kerkrecht is, is het een nietszeggende overweging althans zonder enig rechtsgevolg. Daar had de Synode het gewoon bij kunnen en eigenlijk ook moeten laten. 

Door dat niet te doen, maar zelfs in de bespreking over het onderwerp uit te spreken dat met het besluit uit 2013 om het complete model van de samenwerkingsovereenkomst te aanvaarden niet bedoeld is ‘de algemene lijn van de minst verstrekkende kerkorde op te heffen’, geeft de Synode ook een uitleg aan dat besluit van 2013 die ook helemaal niet kan. Het is onmogelijk om enerzijds af te spreken dat samenwerkingsgemeenten bij conflicterende regels een keuze mogen maken voor de regels van het kerkverband die het beste bij hun gemeente past, maar anderzijds de lijn te moeten volgen dat ‘de minst verstrekkende kerkorde vigeert’. Nog los van de vraag hoe ‘de minst verstrekkende kerkorde vigeert’ zich laat definiëren en toepassen in de praktijk. Daarmee lijkt het erop dat de huidige uitspraak van de Generale Synode haar besluit van 2013 probeert te relativeren. Zij wekt daarmee de indruk dat zij tot uitdrukking wil brengen dat zij de nood van samenwerkende - en samenwerkingsgemeenten niet voldoende serieus neemt. Het geeft het gevoel dat met deze uitspraak een eerste signaal wordt gegeven dat, omdat eenheid op landelijk niveau met de Vrijgemaakt Gereformeerden en Nederlands Gereformeerden verder weg is dan ooit, dit streven zou moeten worden beëindigd. Dat is zorgelijk omdat met haar uitspraak de Generale Synode voldongen feiten creëert. Door op voorhand de positie te kiezen om een niet kerkrechtelijk idee te verheffen tot kerkrechtelijk principe van ongeschreven aard, vernauwt zij de discussie hierover en daarmee de ruimte die nodig is om de binnenkerkelijke eenheid te kunnen bewaren. 

Tegelijk brengt zij de interkerkelijke eenheid in gevaar omdat met het gekozen uitgangspunt als kerkrechtelijk principe samenwerken ernstig wordt belemmerd en waarschijnlijk praktisch - de facto - onmogelijk wordt gemaakt. In het licht van de vaak scherpe verwijten aan kerken binnen het kerkverband die in strijd handelen met kerkelijke regels voelt het alsof deze kerkelijke besluitvorming wordt gebruikt om kerkelijke eenheid te beëindigen. Het besluit is weliswaar de jure rechtsgeldig, maar is de facto evenzeer verwijtbaar als het handelen van ongehoorzame kerken, omdat dit besluit  namelijk óók de binnenkerkelijke eenheid op het spel zet. Immers, het zal voor samenwerkende - en samenwerkingsgemeenten met deze besluitvorming steeds moeilijker worden binnen het Christelijke Gereformeerde kerkverband te functioneren. Daarmee loopt de binnenkerkelijke spanning op. Om alleen ongehoorzame kerken verwijten maken over het oplopen van de binnenkerkelijke spanningen lijkt mij, gelet op het Synode besluit, dan ook meten met twee maten. 

 

Reactie toevoegen

De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.

Filtered HTML

  • Web- en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Toegelaten HTML-tags: <a href hreflang> <em> <strong> <cite> <blockquote cite> <code> <ul type> <ol start type> <li> <dl> <dt> <dd>
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.