Simplenews subscription

E-mailadres van de abonnee.
Stay informed - subscribe to our newsletter.

Page Notifications

Subscribe to: Rechtspositie predikant

Op 6 november 2020 wees de Hoge Raad een arrest waaruit bleek dat de partijbedoeling geen rol speelt bij de vraag of een overeenkomst moet worden gekwalificeerd als arbeidsovereenkomst. Uit een eerder arrest van de Hoge Raad - Groen/Schoevers - is de indruk ontstaan dat de partijbedoeling van belang is voor de vraag of de overeenkomst een arbeidsovereenkomst is; de zogenaamde kwalificatievraag. In het recente arrest heeft de Hoge Raad verduidelijkt dat aan de kwalificatie van de overeenkomst de voorvraag, zijnde de vraag welke rechten en plichten partijen zijn overeengekomen, vooraf gaat. Welke rechten en plichten dat zijn, moet worden beoordeeld aan de hand van de zogenaamde Haveltexmaatstaf; dat wil zeggen dat bij uitleg van de rechten en plichten van partijen gekeken moet worden welke betekenis partijen aan die rechten en plichten hebben gegeven en wat zij in dat kader over en weer van elkaar mochten verwachten. Die uitleg is bepalend voor de uiteindelijke kwalificatie van de overeenkomst. 

Geen partijbedoeling in kwalificatievraag
Daarmee speelt de partijbedoeling geen rol meer in de kwalificatievraag, maar kan zij wel mogelijk enigszins meespelen bij de voorvraag, de uitleg van de inhoud van de rechten en plichten die zij zijn overeengekomen. Daarbij moet wel worden opgemerkt dat die partijbedoeling van ondergeschikte betekenis zal zijn, omdat de voorvraag zich vooral zal concentreren op de feitelijke uitvoering van de tussen partijen overeengekomen rechten. Het opnemen in de overeenkomst dat partijen geen arbeidsovereenkomst hebben beoogd, zal juridisch geen betekenis meer toekomen. Het zal daardoor lastiger worden om aan de dwingendrechtelijke regels van het arbeidsrecht te ontkomen door allerlei schijnconstructies te gebruiken. De kwalificatievraag zal die schijnconstructies makkelijker doorprikken

Geen invloed rechtspositie predikant
De uitspraak die de Hoge Raad hiermee heeft gedaan, heeft geen invloed op de rechtspositie van de predikant binnen de kerk. In zijn arrest van 4 oktober 2019 heeft de Hoge Raad overwogen dat kerkgenootschappen, op grond van de wet, inrichtingsvrijheid toekomt waarbij het eigen kerkelijk statuut mag afwijken van dwingend recht. In het arrest van de Hoge Raad wordt duidelijk dat de rechtsverhouding tussen een kerkgenootschap en de predikant wordt beheerst door het eigen statuut en niet door titel 10 van boek 7 BW. Daarmee kan een uitzondering worden gemaakt voor rechtsverhoudingen zoals die gelden binnen kerkgenootschappen op grond van het beginsel van scheiding tussen kerk en staat. Op grond van het uitgangspunt dat een kerkgenootschap wordt geregeerd door haar eigen statuut komt aan de kerk en predikant de bevoegdheid toe hun verbintenis sui generis - naar eigen rechte - in te vullen door het arbeidsrecht niet van toepassing te verklaren. Daarmee prevaleert het kerkelijk statuut boven het arbeidsrecht. De overeenkomst kan daarmee niet meer als arbeidsovereenkomst worden gekwalificeerd.

Inrichtingsvrijheid
De inrichtingsvrijheid van kerkgenootschappen staat dus voorop. Als er al een lacune in het kerkrecht is betreffende de rechtspositie van de predikant, kan, zo is algemeen wel aanvaard, die zo nodig worden opgevuld door bepalingen uit het arbeidsrecht op de kerkelijke regeling toe te passen. Dat wil overigens niet zeggen dat de inrichtingsvrijheid van kerkgenootschappen onbegrensd zou zijn. Zwaarwegende dwingende bepalingen van positief recht kunnen wel inbreuk maken op het kerkelijke recht. Daarvan kan sprake zijn als dwingend positief recht een belang van zo fundamentele aard, bijvoorbeeld het beginselen van een eerlijk proces, beschermt, dat afwijking van dat dwingende recht onaanvaardbaar is.

Scheiding kerk en staat
De recente uitspraak van de Hoge Raad verandert dus niets in de bijzondere rechtspositie van een predikant binnen een kerkgenootschap. Het beginsel van scheiding van kerk en staat, dat geborgd is in het positieve recht, staat daarin in de weg. Daarmee staat het er ook voor garant dat de rechtspositie van de predikant van eigen rechte kan zijn. Door de keuze te maken voor het kerkrecht, onttrekt het kerkrecht de rechtspositie van de predikant aan het arbeidsrecht. Voor kerken en predikanten een kostbaar voorrecht. Daar moeten zij zuinig op zijn. Dat vraagt van kerken dat zij het eigen karakter van de rechtsbetrekking met de predikant zorgvuldig moeten uitwerken en vastleggen. Daarbij is de aanwijzing vanuit het arbeidsrecht, dat de kwetsbaarste contractspartij rechtsbescherming behoeft, iets om steeds goede nota van te nemen. Het recente arrest van de Hoge Raad vormt dus geen bedreiging voor de eigen rechtspositie van de predikant binnen het kerkrecht. Dat is een geruststellende gedachte.  

Reactie toevoegen

De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.

Filtered HTML

  • Web- en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Toegelaten HTML-tags: <a href hreflang> <em> <strong> <cite> <blockquote cite> <code> <ul type> <ol start type> <li> <dl> <dt> <dd>
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.