Simplenews subscription

E-mailadres van de abonnee.
Stay informed - subscribe to our newsletter.

Page Notifications

Subscribe to: Geest uit de fles

In de discussie binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken over de openstelling van de ambten, dringt zich langzamerhand de vraag op in hoeverre zij nog onder controle is te houden voor het kerkverband. Het lijkt een brandpunt te zijn voor diepliggende meningsverschillen over even zo talrijke onderwerpen van schriftgezag tot kerkrecht en alles wat zich daar tussenin bevindt. Het onderwerp lijkt haast een sjibbolet te worden dat het kerkverband in kampen te lijkt verdelen. Het onderwerp zelf kan toch in redelijkheid geen reden worden voor een kerkscheuring, zelfs niet nu een aantal gemeenten kerkelijk ongehoorzaam zijn door ambten open te stellen voor vrouwen. Of je goed Christelijk Gereformeerd bent, wordt toch niet bepaald door de vraag wat de overtuiging is omtrent de vrouw in het ambt?

Toen in 1998 dit onderwerp óók ter bespreking voorlag op de Generale Synode kwam het onderwerp ter sprake omdat ook toen hierover binnen het kerkverband verschillend werd gedacht.  Die discussie gaf immers de Generale Synode van 1995 reden om te besluiten opdracht te geven aan deputaten om “binnen het raam van de gereformeerde schriftbeschouwing een schriftuurlijk-gefundeerde verantwoording te geven van het standpunt ten aanzien van de vrouw in het ambt." Ofschoon deze opdracht niet eenduidig was, heeft het deputaatschap de opdracht ruim geïnterpreteerd in die zin “dat alleen een nauwkeurig luisteren naar Gods Woord uitgangspunt kan zijn voor de beoordeling van bestaande kerkelijke standpunten.”, aldus het rapport van de commissie ‘vrouw en ambt’. Vervolgens blijkt dat binnen het deputaatschap de meningen verschillen. De commissie verklaart daarover in haar rapport: “De commissie constateert dat ook de minderheid van deputaten uitgaat van de vaste overtuiging van de gereformeerde belijdenis dat de Schriften Woord Gods zijn en dat zij daarom eigen gezag hebben. Bovendien sluit de minderheid van deputaten aan bij de grondlijnen van de gereformeerde hermeneutiek.” In het voorstel van de commissie wordt bij het ‘van oordeel’ opgemerkt  “dat het verschil tussen de meerderheid en minderheid van deputaten vooral samenhangt met een verschillende taxatie van de relatie tussen openbaring en cultuur/historisch.”

Dat de taxatie van de minderheid op stevige kritiek stuit, in die zin dat de minderheid door de commissie onder andere wordt verweten dat de hantering van de hermeneutische principes elementen bevat die op gespannen voet staan met de hermeneutische regel dat de Schrift zichzelf uitlegt en neigt naar actualistisch schriftgebruik, laat onverlet dat de commissie even zo goed verklaart dat het niet overnemen van het minderheidsstandpunt niet betekent “dat de integriteit van de broeders van de minderheid betwijfeld wordt. Deze deputaten hebben - in het licht van de spanningsvolle relatie tussen openbaring en cultuur/historie - gemeend met hun bijdrage de kerken te dienen.”

De vraag die zich in deze opdringt is wat er ten opzichte van 1998 veranderd is. Praktisch is de verandering dat toentertijd kennelijk er wel twijfels waren over de houdbaarheid van de gereformeerde ambtsopvatting, maar dat die discussie gelijktijdig ook een hoog theoretisch gehalte had, omdat toen noch binnen de Nederlandse Gereformeerde kerken noch bij de Vrijgemaakt Gereformeerden de ambten open stonden voor vrouwen. Tegenwoordig is dat anders; Vrijgemaakten en Nederlandse Gereformeerden hebben de ambten opengesteld waardoor samenwerkingsgemeenten met een Christelijk Gereformeerd smaldeel in een lastig parket zijn gekomen en door de tijd heen ook zich binnen de CGK klem en verloren voelen. Echter, dat is wel wat anders dan de taxatie van ds  A.C. Uitslag dat sprake zou zijn van het binnendringen van bepaalde zonden waarbij het er op aankomt om “daadwerkelijk de wacht te houden bij Schrift en belijdenis.” Dat doet namelijk geen recht aan het feit dat binnen de gereformeerde schriftbeschouwing taxatieverschillen bestaan ondanks de gezamenlijke overtuiging dat de Schriften Woord van God zijn en dat zij daarom eigen gezag hebben. De suggestie dat met een afwijkende ambtsopvatting het schriftgezag ter ziele gaat, is - zonder nadere toelichting die ontbreekt - misplaatst. Het verscherpt de tegenstellingen onnodig en in het ergste geval kan de integriteit van zussen en broers met een afwijkende ambtsopvatting, in tegenstelling tot de commissie in 1998, in twijfel worden getrokken. De suggesties kunnen makkelijk - ook onbedoeld - de functie en het karakter van verdenking en beschuldiging krijgen waardoor de onderlinge liefde bekoeld.

Het handelen van de kerk van IJmuiden om de ambten daadwerkelijk open te stellen, de beslissing van een aantal andere samenwerkingsgemeenten om de ambten open te gaan stellen op korte termijn, zijn te beschouwen als een protest. Het is inderdaad kerkelijke ongehoorzaamheid, maar ook veelzeggend dat samenwerkingsgemeenten niet de Christelijke Gereformeerde kerken verlaten, maar daaraan en daarmee verbonden willen blijven. Dat drukt een kennelijke verbondenheid uit die het kerkverband zou moeten koesteren. Het is een sterk signaal van deze gemeenten dat zij binnen het verband willen blijven met alle lusten en lasten, maar ook dat zij omwille van de eenheid en opbouw van hun gemeenten de ruimte vragen om de ambten open te stellen voor vrouwen.

En dat laatste kan; er kan ruimte geboden worden aan gemeenten die een andere ambtsvisie hebben. Dat kan zeker als van die andere visie gezegd wordt dat de integriteit van broers en zussen daardoor niet in twijfel wordt getrokken. Dat kan helemaal als het niet bezwaarlijk is om een afwijkende ambtsvisie te hebben, maar voor je moet houden. Als in 1998 een dergelijk  standpunt binnen de kaders van de gereformeerde belijdenis bleef, kan dat anno 2019 niet ineens anders zijn. En die ruimte kan gevonden worden zonder dat het kerkverband vervalt tot een moderne congregationalisme. Een ventielregeling kan daarbij behulpzaam zijn door het kerkrechtelijk mogelijk te maken om bij klemmende noodzaak van de kerkrechtelijke regels af te wijken ten behoeve van de eenheid en de opbouw van de kerk en de voortgang van het Evangelie. Dat moet kunnen als afwijkende opvattingen niet voortkomen uit een afwijkende belijdenis dat de Schriften Gods Woord zijn en dat zij daarom eigen gezag hebben. Dat kan zelfs als enkele gemeenten kerkelijk ongehoorzaam blijken te zijn doordat zij kerkelijke regels negeren, want dan is kennelijk de nood zo hoog dat, nu de integriteit niet in het geding is, de liefde van Christus ons dringt deze nood te ledigen. Dat lijkt mij vruchtbaarder dan deze gemeenten buiten het kerkelijk verband te beschouwen of hen op te roepen het kerkverband te verlaten. Daarentegen kunnen we ons veel beter laten leiden door de Geest omdat we dan gericht zijn op wat de Geest wil in plaats van de discussie te laten te ontsporen, want dan is straks de geest echt uit de fles.

Reactie toevoegen

De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.

Filtered HTML

  • Web- en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Toegelaten HTML-tags: <a href hreflang> <em> <strong> <cite> <blockquote cite> <code> <ul type> <ol start type> <li> <dl> <dt> <dd>
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.